ππ’π€π’π§π πππ¬π, ππ«ππ‘π’π¬ππ¨π«π¬π’ππ‘ ππ¨π«π©, ππ’π§ππ‘π¨π―ππ§.
Ik ben een mandje aan het vlechten, een laatste stukje met wat van de dunne toppen van de wilgenteen. Het is een rustig moment op ons stukje, elders is de vechtshow bezig en de meeste mensen kijken daar.
Voorzichtig komt een klein meisje dichterbij, ze kijkt gebiologeerd toe. Ik groet haar. En dan vraagt ze zachtjes : ‘Heb je dat van een vogeltje geleerd?’ππΏ





